Ontlezing? Dat komt wel weer goed.

Pubers en jongvolwassenen schijnen lezen niet meer cool te vinden. Columnisten, Arjen Lubach en de deskundigen in de betere ochtendbladen – die de jeugd dus ook al niet meer leest – hebben er zo hun idee over. Als daar al een lijn in te ontdekken valt is het vooral een scheidslijn tussen twee kampen. Het ene wil lezen vooral aansprekender maken, het andere kamp vindt dat boeken dat op eigen kracht al horen te zijn. Lezen, kreng!

Allemaal herkenbaar. Sinds ik kan lezen heb ik gelezen. Stapels. Van Pluk van de Petteflet, via Suske en Wiske naar Koning van Katoren. Als tiener kwam daar de geniale humor van Godfried Bomans bij en de duizelende fantasie van Roald Dahl, ook zijn stoute verhalen voor grote mensen. Maar zo rond mijn zestiende was de liefde bekoeld. Literatuur kon me gestolen worden.

Een kliek van leraren Nederlands had namelijk de makers van verhalende fictie netjes ingedeeld in schrijvers van literatuur en de rest. Let wel: niet de boeken, maar de makers. Was een schrijver geen lid van die aristocratie dan schreef hij slechts lectuur. Zoals de zeer katholieke Brabander Toon Kortooms, mateloos populair in onze contreien, dat keurmerk uiteraard niet waard was. Zo kwam het als puber op mij over. Zwart-wit denken hoort bij de leeftijd. Het literatuurtentamen met de verplichte lijst van 25 vond ik een kwelling.

De leeslacune heeft niet lang geduurd. Na een gesjeesd jaar economie begon ik tijdens de veertien maanden bedenktijd als soldaat zowaar weer te lezen en schreef me in voor een studie Engels. En het daagde me dat ik vier jaar eerder simpelweg nog niet toe was aan de verhalen en thema’s uit onze Nederlandse canon. Intellectueel kon ik het best bolwerken, maar niet emotioneel. Want wat had ik nu helemaal meegemaakt? Niet genoeg voor het inbeeldingsvermogen dat nodig is om de personages van een roman in je fantasie tot leven te brengen.

Er is geweldige kinderliteratuur geschreven. Voor een achtjarige ging Krassen in het tafelblad van Guus Kuijer over de kattenkwaad van een vrijgevochten meisje dat haar opa een paar weken te logeren krijgt nadat oma is gestorven. Veertig jaar later realiseer je je pas hoe meesterlijk Kuijer zijn jonge lezertjes opvoedt met volwassen thema’s. Want oma was een intelligente, avontuurlijke vrouw die met een goeiige huismus van een man gevangen zat in een liefdeloos huwelijk en haar hele gezin van zich vervreemdde.

Ik denk dat het wel goed komt met dat lezen. Geschreven wordt er in ieder geval genoeg. Ik maak me meer zorgen over het slinkend aantal leraren Nederlands, bevlogen of niet. En mocht het toch niet lukken met generatie Z: er zijn wel meer seniorenhobby’s waar de jeugd met geen stok toe te bewegen is: paddenstoelenwandelingen, de Mattheus Passie, Toneelgroep Amsterdam, en literatuur dus. Voor een tekort aan vitale senioren hoeven we de komende decennia echt niet te vrezen.