Moeizaam Engels

Het songfestival was met alle coronabeperkingen een moeizame affaire dit jaar. Ik houd van muziek dus ik heb het uiteraard niet gevolgd. Alle kleuren van Groot-Europa zingen in hun eigen Engels, door Paulien Cornelisse in haar Volkskrant-column raak getypeerd als moeizaam Engels. Het klinkt tenminste aardiger dan broken English, de neerbuigende karakterisering van de taalvarianten zoals die zich na het vertrek van de kolonisators hebben ontwikkeld over de wereld.

We leren Engels op school omdat het belangrijk is voor je studie en werk. Nou ja, voor een deel van de hoger opgeleiden dan. De meeste leerlingen blijven in Nederland wonen en komen in een werkkring waar Nederlands de voertaal is. Voor hen is die kennis een handig stuk communicatiegereedschap om ideeën tot zich te nemen en over te dragen. Als je je scriptie in het Engels schrijft moet je je boodschap begrijpelijk, objectief en ondubbelzinnig leren uitdrukken.

Ons alledaags taalgebruik is compleet anders. “Jan geeft het boek aan Sylvia”. Heb je dat recentelijk nog tegen iemand gezegd? Informele spreektaal zit vol onuitgesproken culturele conventies. Het ‘vlees’ van de boodschap schuilt vaak tussen de regels, in een oogopslag of een sarcastische intonatie. Als ik jouw idee van de pot gerukt vind, dan zal ik als Nederlander zeggen dat ik het geen geweldig idee vind – vooropgesteld dat ik je verder een aardige kerel vind, anders noem ik het meteen een bagger-idee. Als Brit noem je het eerst een interesting thought voordat je het mag afbranden. 

Een tweede taal is per definitie aangeleerd. Voor een tweede taal heb je moeite moeten doen. Je moedertaal daarentegen is deel van wie je bent. Je hebt hem verworven, niet geleerd. Je weet zelfs niet hoe dat ging. Spreken is net zo vanzelfsprekend als lopen en ademhalen. De moedertaal past iedereen als een huid; een tweede taal is als een kledingstuk, sjiek, slordig, elegant, minimaal, alles naargelang je talent, inzet en kwaliteit van je docenten. Het duurt lang voordat die jas even comfortabel zit en voordat je weet hoe je hem moet dragen.

Daarin overschatten we onszelf nogal. Ik begon aan mijn studie Engels in Nijmegen met een acht op mijn vwo-diploma. Ik dacht dat er aan mijn spreek-, luister- en schrijfvaardigheid niet zo veel meer gesleuteld hoefde te worden. Dat had ik even goed mis. Van je gebrekkige woordenschat word je je nog wel pijnlijk bewust als je een moeilijk boek probeert, maar van je uitspraak heb je dat niet door. Die wordt niet vanzelf beter. Bijna iedereen begint met een moddervet Nederlands accent dat nog een lange weg te gaan heeft voordat het near-native Brits of Amerikaanse klinkt. Nog zoiets: iedereen met een normaal IQ kan zijn moedertaal leren, maar voor succes in vreemde talen speelt aanleg en talent een flinke rol.

Nu hoef je van je collega’s geen near native niveau te verwachten als ze de taal enkel in het dagelijkse werkverkeer met collega’s gebruiken. Maar in de multinationale bedrijven binnen Nederland waar ik gewerkt heb is Engels meestal de voertaal, inclusief alle documentatie en groeps-email. Nederlands is voor bij de koffieautomaat. Daar moeten we niet te lichtvaardig over denken. Engels schrijven voor een publiek van niet-Nederlanders vraagt precisie. Anders dan in een gesprek kan de lezer je niet of minder makkelijk om opheldering vragen als je niet begrijpelijk bent. En dat zie ik vaak gebeuren.

Die informele momenten bij de koffieautomaat zijn daarnaast ontzettend belangrijk voor de teambinding. Hoe leuk het ook kan zijn om samen te werken met mensen uit verschillende windstreken, je merkt toch dat de moedertaalsprekers graag elkaar opzoeken om het afgelopen weekend, de vakantie, moppen en roddels te delen in een taal die ze past als een tweede huid. Daar doe je niets aan.