1984, bullshit en Baudet

Een boekbespreking dit keer. The Ministry of Truth van Dorian Lynskey gaat over de totstandkoming en erfenis van George Orwells meesterwerk, de toekomstroman 1984. Koopt dit boek, liefst allebei, bij uw lokale boekhandel uiteraard.

Orwell (1903-1950), een hartstochtelijk sociaaldemocraat avant la lettre maakte als journalist zowel het Spaans en Duits Fascisme als de nadagen van het Brits kolonialisme in toenmalig Birma van dichtbij mee. De gezondheid van workaholic en kettingroker Orwell was al niet best toen hij kort na de oorlog aan zijn nieuwe boek wilde beginnen. Binnen een jaar verloor hij ook nog zijn moeder, zus en echtgenote Eileen. Om in alle rust te schrijven huurde hij een afgelegen boerderij op het Schotse eiland Jura. De gezonde zeelucht mocht niet baten. Zijn tuberculose was te ver gevorderd en amper een jaar na publicatie van 1984 overleed hij, nog geen 47 jaar oud.

Als vertelling gaat 1984 over de kansloze strijd van de ambtenaar Winston Smith tegen de almacht van de fascistische Partij in de superstaat Oceanië. Afijn, ik ga de plot hier niet samenvatten. Lynskey noemt zijn boek een biografie van 1984 en dat is het ook geworden. Van weinig andere bestsellers kun je stellen dat ze zeventig jaar na de dood van de auteur nog steeds zo’n sterk eigen leven leiden. Begrippen als Big Brother, Thought Police en doublethink hebben een plek in het woordenboek veroverd. Bij vlagen laaien de hashtags en de verkoopcijfers weer flink op, meestal wanneer een politicus of maatschappelijke trend het stempel Orwelliaans krijgt opgeplakt. Nooit is dat positief bedoeld.

Tussen de bombardementen, folteringen en publieke executies door zou je vergeten dat Orwell 1984 toch echt bedoelde als een satire, zij het dan geen grappige. Hij schetste het eindpunt waar een volmaakt totalitaire staat zou kunnen eindigen. Dat eindstation is een complete macht zonder rechtvaardiging over het doen en denken van ieder individu. Het doel van macht is macht. Zelf geloofde hij niet dat het zo erg zou worden. Ik wel.

De Partij wist dat je niet alle dissidente gedachtes er met de wapenstok uitgeslagen krijgt. Op zeker moment worden de leugens te bont en zal ook het partijkader de onzin niet meer slikken. Mensen kunnen namelijk slecht tegen het mentale ongemak dat we ervaren als nieuwe feiten onze oude overtuigingen en meningen onderuithalen. Dat heet cognitieve dissonantie. In plaats van de nieuwe, juiste feiten te accepteren bagatelliseren we het ongemak. Stel dat je een trektocht door Thailand boekt maar een week met buikgriep in het hotel moet blijven. Dan prijs je het zwembad en het restaurant en ben je blij dat je de hitte en insecten van het binnenland bespaard zijn gebleven. Dat is onschuldig. Maar we vluchten ook in drogredenen, zoals de stugge roker die na elke rochelbui oude oom Joop aanhaalt die 85 werd met twee pakjes per dag. Of neem klimaatmaatregelen. Die zijn slecht voor ons verdienmodel, dus moet dat opwarmingsverhaal wel zwaar overdreven zijn. Vroeger of later gaat dat wringen, want we weten echt wel dat we onszelf voor de gek houden.

Het indoctrinatieprogramma van de Partij moest voorkomen dat al hun potsierlijke leugens aan je geweten gingen knagen. Afwijkende ideeën moesten voorgoed onmogelijk gemaakt worden. Het middel daartoe was doublethink, het vermogen om twee tegenstrijdige ideeën beide als feit te accepteren en datgene voor waar aan te nemen wat op enig moment het beste uitkomt. De inspiratie kwam van een toespraak uit 1930: het Marxisme streeft tegelijk naar het ontmantelen van de staat én voor een sterke dictatuur. Dat is inderdaad een tegenstelling die niettemin de ruggengraat van de Marxistische dialectiek vormt, aldus Josef Stalin. Een brein getraind in doublethink heeft dit opportunisme in denken tot het extreme doorgevoerd. Je neemt een nieuw standpunt aan ook als het strijdig is met alles wat je voorheen geloofde. Maar omdat je de tegenstrijdigheid niet probeert te rijmen ontstaat er ook geen conflict in je hoofd.

Zo verdwijnt het onderscheid tussen feit en fictie, omdat niemand meer maalt om het verschil. Herinneringen dienen alleen nog een praktisch doel, zoals de vaardigheden die je geleerd hebt om je werk te kunnen doen. Verder bestaat er geen objectieve waarheid meer buiten wat de Partij je vertelt. Iets is waar omdat de Partij het zegt, en zij zeg het omdat het haar op dit moment goed uitkomt. Tot twee keer toe wordt in 1984 met vereende krachten op het Ministerie van Waarheid het recente oorlogsverleden compleet herschreven, zoals beweren dat Adolf Hitler en de Nazi’s Chinees waren. Waarom? Ik vond het een zwak moment in het boek. Totdat ik doorhad dat deze dure en schijnbaar nutteloze actie een bewuste tactiek was. Niemand zou zich meer precies kunnen herinneren met wie Oceanië wanneer in oorlog was, en het zou hem niets meer kunnen schelen. Missie volbracht.

Het boek van filosoof Harry G. Frankfurt On Bullshit uit 2005 beschrijft het subtiele verschil tussen zwetsen en liegen. Ik vind kletskoek en zwetsen wel mooie vertalingen van bullshit. Een leugenaar kent de waarheid en probeert je te overtuigen van zijn vervalste versie. De zwetser daarentegen geeft helemaal niet om de waarheid, geen moment. Hij zal elk middel aangrijpen om je te overtuigen. Hij bedelft je onder een modderstroom van volslagen klets, halve waarheden en feiten. De reclamewereld en het politieke discours – is er nog een verschil tussen die twee? – zitten er vol mee. Frankfurt vindt bullshit verspreiden gevaarlijker dan liegen, omdat het onschuldiger lijkt. Je tast namelijk niet afzonderlijke feiten aan, maar brengt het belang van de waarheidsvinding zelf in diskrediet. De zwetser kan meestal ongestraft zijn gang gaan. Tegen de beroepsleugenaar kunnen we tenminste nog smaad en laster in stelling brengen.

Veel schrijvers hebben zich sinds 1950 afgevraagd wat de zeer geëngageerde George Orwell gevonden zou hebben van tal van actuele kwesties. Ik vind het nogal zinloos om je je dat af te vragen, maar ik denk niet dat ik er ver naast zou zitten in het geval van koning Bullshit Donald Trump en zijn fanboy Dr. Thierry non nisi influenza* Baudet. 

*’T is maar een griepje!